G500 over ZZP’ers en sociale zekerheid

Steeds meer mensen werken als zelfstandige zonder personeel (ZZP’er). Meestal vrijwillig, maar door de crisis ook steeds vaker noodgedwongen. Het werken als ZZP’er biedt niet alleen hen, maar ook de samenleving als geheel, belangrijke voordelen. Momenteel hebben ZZP’ers echter onvoldoende mogelijkheden om zich te beschermen tegen sociale risico’s als arbeidsongeschiktheid en ouderdom. Daarom moet de overheid ervoor zorgen dat ZZP’ers toegang hebben tot betaalbare sociale zekerheid.

Hoe is het nu?
Waarom moet er iets veranderen?
De oplossingen van G500

Hoe is het nu?

Terug naar top
Het aantal ZZP’ers is de afgelopen tien jaar met ruim 200 duizend toegenomen. Bijna 1 op de 10 werkende mensen is inmiddels ZZP’er: 728.000 personen op een totale werkzame beroepsbevolking van bijna 7,4 miljoen (Bron: CBS, 2012). Eigen baas kunnen zijn en zelf interessant werk kunnen kiezen, zijn aantrekkelijke kanten van het ZZP’er zijn. Ook biedt het werken als ZZP’er flexibiliteit wat betreft werktijden en werkplek. De overgrote meerderheid maakt de keuze voor het om te werken als zelfstandige dan ook uit een behoefte naar meer vrijheid, daartoe aangemoedigd door de overheid. Een toenemend aantal mensen wordt echter noodgedwongen ZZP’er: 20 procent geeft aan dat ze dit deden omdat het hun enige optie op geschikt werk was (Boot, 2012).

Het grote verschil tussen werknemers en ZZP’ers is de manier waarop zij beschermd zijn tegen sociale risico’s. In de traditie van de verzorgingsstaat zijn werknemers collectief en verplicht verzekerd tegen werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom, zwangerschap, maar ook bijvoorbeeld scholing. De ZZP’er is in beginsel zelf verantwoordelijk voor de afdekking van de traditionele risico’s en wordt hiervoor (in zekere mate) gecompenseerd via het fiscale stelsel.

Met name twee elementen van de sociale bescherming van ZZP’ers staan vaak ter discussie: de verzekerbaarheid van het arbeidsongeschiktheidsrisico en de pensioenopbouw.

Het huidige systeem biedt twee mogelijkheden voor zelfstandigen om zich tegen arbeidsongeschiktheid te verzekeren: vrije keuze via de private markt of vrijwillige voortzetting van de collectieve verzekering binnen dertien weken na overgang van werknemerschap naar zelfstandigheid ondernemerschap. Voor moeilijk verzekerbare zelfstandigen is er de zogenaamde ‘vangnetregeling’. Uit onderzoek blijkt dat slechts de helft van de zelfstandigen zich ook daadwerkelijk verzekert tegen arbeidsongeschiktheid. Onder zogenoemde ‘nieuwe ZZP’ers’, die vooral hun eigen arbeid, kennis en vaardigheden ter beschikking stellen, lijkt dit aandeel nog lager te liggen. [36 procent; EIM, 2010]. De kosten voor het afsluiten van een private arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) blijken vaak doorslaggevend te zijn om geen verzekering af te sluiten.

Ten aanzien van pensioenopbouw kent Nederland het zogenaamde driepijler-systeem. Een pensioen bestaat uit de AOW-uitkering (1e pijler), uit geld uit een pensioenfonds (2e pijler) en uit eigen vermogen (3e pijler). De verschillen tussen werknemers en zelfstandigen (zonder personeel) zich vooral bevinden in de 2e en 3e pijler: De rechten op een WAO- uitkering zijn voor beide groepen gelijk. Werknemers nemen voor het overgrote deel (90 procent) verplicht deel aan een collectieve pensioenregeling (2e pijler) die in het kader van het arbeidsvoorwaarden- overleg tot stand is gekomen. Voor zelfstandigen is geen sprake van een verplichte deelname, afgezien van enkele specifieke beroepsgroepen. De eigen verantwoordelijkheid voor de oudedagsvoorziening leidt bij ZZP’ers tot beperkte pensioenopbouw (SER, 2010). Ongeveer 25 à 50 procent doet aan pensioenopbouw en een ten minste even groot percentage verwacht dat het pensioen onvoldoende zal zijn. Naast beperkt pensioenbewustzijn, worden de hoge kosten van oudedagsvoorzieningen en de behoefte beschikbaar geld te investeren in het eigen bedrijf genoemd als redenen om geen pensioen op te bouwen.

  1. Tweede pijler – Een kleine groep ZZP’ers, vrijberoepsbeoefenaren, vallen onder een verplicht gestelde beroepspensioenregeling. Daarnaast vallen ook zelfstandigen in een aantal beroepen onder de verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds, waarmee deze zelfstandigen dezelfde regeling hebben als werknemers. Voor ZZP’ers die voorheen werknemer waren en deelnamen aan een pensioenregeling, is het mogelijk deze regeling vrijwillig voort te zetten Dit voortzetten kan tot maximaal 10 jaar (voor IB- ondernemers) waarvan maximaal 3 jaar met fiscale facilitering.
  2. Derde pijler(1) Lijfrente: Particulieren (i.c. niet-werknemers) kunnen onder voorwaarden, fiscaal gefaciliteerd worden door middel van lijfrente, aangeboden door verzekeraars, banken en beleggingsinstellingen. De premies kunnen, tot een bepaald maximum, afgetrokken worden van het inkomen en de waarde van de polis wordt niet belast in box 3. De uitkering wordt te zijner tijd wel belast. Niet-gebruikte jaarruimte uit eerdere jaren kan, onder voorwaarden, ook aangewend worden voor pensioenopbouw in een later jaar. (2) Banksparen: Sparen op een speciale spaarrekening voor pensioen, of via sparen of via een beleggingsrekening. Ook hiervoor geldt belastingaftrek en vrijstelling in box 3. Bovengenoemde producten worden door een aantal organisaties van ZZP’ers aangeboden aan hun leden waarbij zij collectieve korting krijgen.
  3. Fiscale oudedagsreserve (voor IB-ondernemers) – Een ondernemer kan, als hij aan het urencriterium voldoet, jaarlijks 12 procent van de winst (met een maximum) toevoegen aan de oudedagsreserve. De FOR voorziet daarmee in een renteloos uitstel van belastingbetaling. Met het geld van de oudedagsreserve kan de ondernemer een oudedagsvoorziening opbouwen, maar hij kan deze middelen ook op een andere manier aanwenden.
  4. Overige oudedagsvoorzieningen – Ook de waarde van het bedrijf en de eigen woning kan als ‘pensioen’ gezien. Wel is het zo dat de toekomstige waarde van een woning of bedrijf zich moeilijk laat voorspellen.

Waarom moet er iets veranderen?

Terug naar top
Het is duidelijk dat ZZP’ers een positief bijdragen aan de Nederlands economie (SER, 2010). Voor werkgevers betekent de flexibiliteit die zij bieden een kleinere kans op overcapaciteit: de inzet van ZZP’ers kan immers beperkt worden tot die momenten waarop het nodig is. Ook brengen ZZP’ers vaak kennis en vaardigheden mee die de werkgever niet in huis heeft. Op die manier dragen zij bij aan de productiviteit van bedrijven. Bovendien zijn ZZP’ers, hoewel ze doorgaans lagere en vooral onzekerder inkomens hebben, over het algemeen erg tevreden over hun werk, waardoor ze meer en/of langer willen en kunnen doorwerken. De samenleving heeft baat bij de manier waarop uitkeringsgerechtigden in staat worden gesteld betaalde arbeid te verrichten: de uitkeringslasten dalen, en de arbeidsparticipatie stijgt.

Met de opkomst van de ZZP’er, en de kansen die dit de Nederlandse economie biedt, rijst de vraag of de Nederlandse verzorgingsstaat voldoende is aangepast aan de tijd. Het ligt voor de hand dat ZZP’ers zich ondernemer voelen, en voor een deel als zodanig behandeld willen worden. De centrale vraag is echter of de juiste balans wordt getroffen tussen individuele verantwoordelijkheid van ZZP’ers en hun behoefte aan een zekere keuzevrijheid enerzijds, en de maatschappelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van de sociaaleconomische positie van ZZP’ers anderzijds.

De SER leverde in 2010 een belangrijke bijdrage aan de discussie, met een integraal advies aan het kabinet ten aanzien van ZZP’ers (SER, 2010). Hij stelt dat de lage verzekeringsgraad onder ZZP’ers tegen arbeidsongeschiktheid, niet aan het aanbod kan liggen: er zou een voldoende kwalitatief en betaalbaar assortiment aan verzekeringen bestaan, die een betere prijs en/of aantrekkelijker polisvoorwaarden bieden dan de WIA voor werknemers. De beperkte verzekering door ZZP’ers zou volgens de SER vooral komen door gebrekkig financieel inzicht en onvoldoende bewustzijn (dit laatste geldt overigens ook voor werknemers). Tegelijkertijd stelt de SER dat voor specifieke groepen (zelfstandigen met een gezondheidsprobleem, oudere zelfstandigen en zelfstandigen met een risicovol beroep) lastiger is zichzelf te verzekeren. De SER ziet het als een maatschappelijke verantwoordelijkheid dat deze groepen ondersteund worden in hun eigen verantwoordelijkheid.

Ten aanzien van de pensioenopbouw zijn de adviezen van de SER fundamenteler. Hoewel de raad sterk wijst op de individuele verantwoordelijkheid van ZZP’ers, concludeert de raad dat de pensioensituatie van deze zelfstandigen om verbetering vraagt. Pensioenopbouw is binnen huidige regelingen lastig in de gevallen waar ZZP’ers niet eerst in loondienst waren (zodat voortzetten van lidmaatschap bij het bedrijfstakpensioenfonds niet aan de orde is), er geen sprake is van een eigen huis of waardevermeerdering op een eigen huis te verwachten valt (wat reëel is gezien de huidige markt), er onvoldoende winst wordt gemaakt (43 procent verdient 10.000,- netto per jaar: Boot, 2012) en er geen sprake is van waardevermeerdering van het bedrijf omdat alleen de eigen arbeid, kennis, vaardigheden worden aangeboden (de zogenaamde ‘nieuwe ZZP’ers). De fiscale voordelen die ZZP’ers normaal wordt geboden, zijn voor deze groep niet van toepassing.

Het SER-advies was voor het Kabinet geen aanleiding het uitgangspunt te wijzigen dat ZZP’ers zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen sociale bescherming. Minister Kamp stelt namens het Kabinet dat “aanvullend beleid ten aanzien van ZZP’ers alleen aan de orde zou kunnen zijn bij onevenwichtigheden of verstoringen in het systeem” (Ministerie SZW, 2011). In het SER-advies treft hij deze niet aan.

De oplossingen van G500

Terug naar top
G500 vindt het onacceptabel dat ZZP’ers onvoldoende beschermd zijn tegen sociale risico’s. ZZP’ers zijn als ondernemers allereerst zelf verantwoordelijk voor het afdekken van deze risico’s, maar zij zouden wel in zekere mate in staat moeten worden gesteld om dit te kunnen doen. De Nederlandse economie heeft baat bij ZZP’ers in het algemeen, en heeft een verantwoordelijkheid voor mensen in het bijzonder die, door een gebrek aan betere opties, kiezen voor een risicovoller bestaan als ZZP’er. Het systeem moet aangepast worden aan de tijd. De overheid moet ervoor zorgen dat ZZP’ers toegang hebben tot betaalbare sociale zekerheid.

Dit kan op de volgende manieren:

  1. Meer en gerichte inspanning om het bewustzijn (ten aanzien van arbeidsongeschiktheid) van ZZP’ers te vergroten: Als er voldoende aanbod is, moet de overheid ZZP’ers door actieve voorlichting wijzen op betaalbare mogelijkheden in de private markt.
  2. Vrijwillige of verplichte openstelling van de WIA voor ZZP’ers.
  3. Faciliteren van het vrijwillige voortzetten (nu maximaal 10 jaar) van bedrijfstakpensioen, inclusief fiscale facilitering gedurende de gehele periode.
  4. Uitbreiden van de bestaande mogelijkheid de verplichtstelling van bepaalde bedrijfstakpensioenfondsen, zodat ook ZZP’ers eronder vallen.

Onderbrengen in de sociale zekerheid van ZZP’ers die eigenlijk in loondienst zouden moeten werken (schijnzelfstandigen), waarbij de werkgever de premies betaalt.