Introductie
Onderwijs is van groot belang voor Nederland in zowel economisch als maatschappelijk opzicht. Onze economie is voor een groot gedeelte afhankelijk van de dienstensector: bijna tachtig procent van het Nederlandse inkomen wordt verdiend in deze sector. Kennis en innovatie zijn cruciaal voor deze sector en voor de groei van de Nederlandse economie. Er zal daarom moeten worden gestreefd naar de ambitie om internationaal voorop te lopen op het gebied van kennis en innovatie. De kwaliteit van ons onderwijs speelt hierin een sleutelrol en moet dan ook worden gewaarborgd en verbeterd. De resultaten uit onderzoeken naar de kennis en vaardigheden van leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs geven reden tot zorg: de scores van Nederlandse leerlingen zijn de afgelopen jaren gedaald. In het hoger onderwijs moet meer ruimte komen voor ambitie en excellentie, om de huidige “zesjes-cultuur” aan te pakken. Om dit te bewerkstelligen, is investeren in onderwijs en onderzoek noodzakelijk.
Problemen
Conclusie
Oplossingen
Problemen
Terug naar top
De G500 ziet een trend van middelmatigheid in het Nederlandse onderwijs. Qua primair en secundair onderwijs hoorde Nederland altijd bij de wereldtop, maar dit is aan het afzwakken (Nederlandse onderwijsprestaties in perspectief, CPB 05-2011). De scores van negenjarige leerlingen op reken- en leesgebied zijn de afgelopen gedaald. Behoorde Nederland in aan het begin van het vorig decennium nog in de top drie van de TIMSS/PIRLS-ranglijst wat lezen betreft, aan het eind van het decennium was de positie van Nederland verslechterd, waardoor Nederland zich nog maar net in de top tien bevindt. Deze daling is deels te wijten aan andere landen die hun onderwijs hebben verbeterd, maar vooral ook door een absolute daling van de toetsscore. Wat natuurwetenschappen betreft, bevindt Nederland zich in de middenmoot, maar ook deze scores gaan achteruit. [Deze cijfers zijn gebaseerd op een CPB-analyse, gebaseerd op de TIMMS en PIRLS-studies. De ranglijst is opgesteld aan de hand van de 24 landen (28 in het geval van de lees-toets) die zowel in de data uit 2001/2003 en 2006/2007 aanwezig waren.]
Instroom pabo
Het beroep van docent in het primaire en secundaire onderwijs is niet populair. Veel partijen erkennen dat het beroep van leraar in het basis- en het voortgezet onderwijs ondergewaardeerd is [CDA, VVD, PvdA, D66, GL & SP noemen dit duidelijk in hun (concept-)verkiezingsprogramma]. Het beroep leraar is niet populair, want hoewel de Nederlandse leraar in internationaal perspectief iets bovengemiddeld verdiend (Teachers’ salaries – OESO 2012) is er tot 2009 een afname te zien in het aantal personen dat instroomt op de pabo(CPB, pag. 17). Vooral de instroom van havo- en vwo-scholieren in de pabo loopt terug, “[van elke 10 studenten] zijn er vier afkomstig van de havo, drie van het mbo en één van het vwo.” (Nota werken in het onderwijs, OCW). Dit is echter wel enigszins verbeterd sinds de start van de academische pabo in 2008. Instroom van deze groepen is volgens het CPB wenselijk, omdat zij hoger scoren op reken- en taaltoetsen dan andere groepen instromers.(CPB, pag. 17).
Leerlingen per leraar
De daling van het aantal leraren en leraren in opleiding heeft tot gevolg dat de ratio leerling/leraar steeds ongunstiger wordt. Volgens cijfers van het ministerie van OC&W is het aantal fte leraren per leerling in het basisonderwijs is in zowel 2010 als 2011 gedaald, in 2011 met 3.7% (Aantal leraren per onderwijssector, OCW, 2011). Ondanks deze terugloop is het aantal vacatures om docenten aan te werven niet verhoogd, maar verlaagd (Brief naar de Kamer, OCW 2012). Tenzij de kwaliteit van leraren ineens dramatisch omhoog gaat, kan dit geen positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het kind.
Opleidingskeuze
Er is een probleem in de match tussen de studiekeuze van mbo- en hbo-studenten en hun perspectief op de arbeidsmarkt. In sommige sectoren is een schreeuwend tekort aan gekwalificeerd personeel (met name in de technische sector), terwijl bij andere opleidingen afgestudeerden moeilijk een baan kunnen vinden (Naar 4 op de 10, platform Bèta techniek). Op WO niveau is dit ‘slechte keuze maken’ minder onhandig omdat WO’ers vaak breed genoeg zijn om elders aan de slag te komen buiten hun (opleidings-)vakgebied. Een hbo’er of mbo’er heeft deze luxe minder vaak.
Op het vlak van hoger onderwijs zien we een vergelijkbare ontwikkeling als bij het basisonderwijs. Het aantal studenten per docent neemt ook bij universiteiten en hogescholen toe (Kennis en Innovatie Foto 2012, KIA 2012, p50) waardoor de individuele aandacht die een student ontvangt afneemt: het aantal contacturen is bij de meeste opleidingen laag (Website ministerie van OCW, “een derde van de opleidingen roostert in het eerste jaar minder dan 10 uur per week in”.)
Perverse prestatieprikkels
Daarnaast bevat het huidige systeem perverse prestatieprikkels: de instelling krijgt geld op basis van het aantal diploma’s dat afgeleverd wordt (Perverse prikkels: retoriek of realiteit?, L. Westerveld & J. Betkó, Scienceguide 2012) en een afgestudeerde met diploma levert een hogeschool of universiteit significant meer op dan een student zonder diploma (Bekostiging in het HBO, CFI). De TU Delft heeft in dit kader al van opleidingen het studieprogramma ingekrompen en de studielast verlaagd om te zorgen dat studenten sneller afstuderen (TU Delta 2012), De Universiteit van Amsterdam dreigde het halen van onvoldoendes toe te staan om te zorgen dat aan de prestatie-eisen werd voldaan (Folia 31 juli 2012).
Conclusie: genoeg te doen!
Terug naar top
Deze problemen spelen al geruime tijd, maar het huidig beleid is onvoldoende in staat gebleken deze problemen aan te pakken. Om Nederland van de middenmoot naar de wereldtop op het gebied van kennis te krijgen, zijn investeringen nodig. Het huidige beleid dat meer “hoger opgeleiden” produceert ten koste van de hoogte van hun opleiding en dat “efficiënter met middelen omgaat” door kinderen minder aandacht te geven van minder hoog opgeleide docenten, voldoet daarin niet.
Oplossingen
Terug naar top
Om Nederland voorop te laten lopen op het gebied van kennis, zijn extra investeringen nodig. De G500 pleit ervoor dat er een substantiële uitbreiding van de uitgaven op onderwijs plaatsvindt: er moet 2,5% extra van het bruto binnenlands product naar onderwijs en onderzoek, van 5,9% naar 8,4%. Het grote belang van kennis en onderwijs in de Nederlandse economie rechtvaardigt dit. Deze extra middelen kunnen worden ingezet voor de volgende maatregelen:
- Het verhogen van het aantal docenten per leerling in zowel het basis- als hoger onderwijs. Voor €1 miljard euro extra kunnen we in het primair onderwijs 20% meer leraren per leerling inzetten. Voor het tertiair onderwijs zijn deze cijfers iets lastiger te vinden, maar met een vergelijkbaar bedrag moet het lukken. Berekening: [dollarkoers 02-2012] * [jaarsalaris in dollar NL docent primair onderwijs met 15 jaar ervaring van OESO] * [aantal FTE in primair onderwijs 2011 volgens OCW] * 20% = 0,74345 * 50.370 * 0.20 * 126.900 = €950419491 ≈ €1 miljard
- Docent zijn op het basis- en voortgezet onderwijs moet een prestigieuze baan zijn: zij bereiden ons voor op de toekomst. Het salaris van een docent wordt gelijk getrokken met het salaris van andere hbo-afgestudeerden, om zo meer docenten aan te trekken. Hier staat wel een strengere kwaliteitselectie tegenover, naar Fins voorbeeld. Vijf procent van het aantal studenten wat zich in Finland aanmeldt voor de lerarenopleiding mag deze uiteindelijk ook gaan doen. De overigen vallen af bij selectie op academische prestaties, een toets over onderwijs, een groepstest en een individuele evaluatie.
- Tevens zal er meer kwaliteitsevaluatie moeten plaatsvinden want dit verbetert de prestaties van docenten. Dit zal zo’n €100 miljoen extra kosten (met de berekening uit punt 1) voor het primair onderwijs, omdat er geen lesuren van mogen geruild worden tegen evaluatie-uren. Niet het aantal succesvol afgeleverde leerlingen, maar beoordelingen van leerlingen en collega’s zijn leidend. Voldoet een docent niet, dan verliest hij zijn bevoegdheid. Een leraar volgt ieder jaar minstens een week bijscholing in zijn vakgebied. Voor het voortgezet onderwijs hoeft dit maar €15.4 miljoen euro te kosten. Berekening 1: Met 20% extra leraren, 30 uur per docent per jaar, en een leraar die in het primair onderwijs ongeveer [jaarloon/aantal werkuren per jaar] = €21,70 per uur netto verdient, komt dit op €651 per docent per jaar extra. Maal 1.2 keer het huidige aantal FTE is €99133159 ≈ €100 miljoen. Berekening 2: vijf werkdagen bijscholing, €200 per dag voor docent daarvan, 50% er bij voor organisatiekosten, 10 docenten per klasje, 85.3 *1.2 *1000 FTE op V -> 5 dagen * €200 * 150% /10 *1.2 * 85300 = €15.4 miljoen
- Studeren moet financieel aantrekkelijk blijven. De keuze voor studeren moet gemaakt worden op inhoudelijke en niet op financiële gronden. De studiefinanciering en het collegegeldkrediet blijven in de huidige vorm bestaan (momenteel is dit ruim €1 miljard op de begroting). Dit voorkomt een hevige lastenverzwaring voor starters op de arbeidsmarkt en woningmarkt, die zich vaak toch al in een lastige en onzekere financiële positie bevinden.
- Studieschulden kunnen een belemmering vormen voor afgestudeerden die zich op de woningmarkt begeven. Het is van belang dat banken studieschulden op een realistische manier meenemen, waarbij rekening wordt gehouden met het carrièreperspectief van een afgestudeerde. Banken moeten duidelijk maken op welke manier zij studieschulden meerekenen, en dit moet kritisch gevolgd worden om er zeker van te zijn dat het risico van het verstrekken van een hypotheek niet onnodig hoog wordt ingeschat.
- Onderzoek en innovatie moeten worden gestimuleerd, door het onderzoeksbudget te verhogen. Volgens cijfers van Eurostat bevindt Nederland zich met qua percentage van het BBP dat in onderzoek wordt geïnvesteerd in de Europese middenmoot.
- Ambitie en excellentie moeten worden bevorderd, wat betekent dat studenten die langer studeren om een tweede opleiding volgen, dit tegen dezelfde financiële voorwaarden kunnen doen als andere studenten die langer studeren. Ook studenten die zich buiten de opleiding om zich actief inzetten en daarbij belangrijke vaardigheden ontwikkelen, mogen niet gestraft worden door langstudeermaatregelen (a €480 miljoen). Maatregelen zoals het bindend studieadvies moeten ervoor zorgen dat studenten die lang studeren omdat ze het niveau van de opleiding niet aankunnen zoveel mogelijk in een vroeg stadium gefilterd worden. Berekening: 80.000 langstudeerders die €6000 per stuk (300 student, 3000 instelling) niet betalen = 80*6 miljoen. G500 telt dit hele bedrag mee omdat wij extra geld in onderwijs willen, en niet een verschuiving van geld binnen OCW – wat deze boete doet.
- De opleidingskeuze moet bewuster en beter aansluiten bij de arbeidsvraag, zodat scholieren en studenten een opleiding met perspectief kiezen:
- Middelbare school: Om een verkeerde studiekeuze tegen te gaan moeten middelbare scholen actiever advies kunnen geven over de vervolgopleiding van hun leerlingen a € 57 miljoen, in plaats van dit puur aan de eigen promotie van de vervolgopleidingen over te laten. Berekening: [€10000 per middelbare school instelling voor (training van) specialistische medewerker + €50 per leerling]. Ongeveer 660 instellingen met samen 1 miljoen leerlingen = 10000*660 + €50 miljoen = €56600000 ≈ €57 miljoen
- MBO/HBO: Het bedrijfsleven sponsort beroepsopleidingen waar zij behoefte aan heeft. Dit gaat dan direct naar de studenten, die een leercontract afsluiten met het sponsorende bedrijf. Zij krijgen bijvoorbeeld hun hele opleiding vergoed, maar moeten dan we minstens 4 jaar voor de sponsor werken. Door de leerling stages te laten lopen bij de sponsor wordt een gezonde werkrelatie opgebouwd.
- Universiteit: Een onderscheidend kenmerk van een universiteit zijn de academische vaardigheden die studenten opdoen. Dit betekent dat zij vaak in een ander veld werken dan dat van hun oorspronkelijke opleiding. De mogelijkheden tot het volgen van bredere studieprogramma’s moeten worden gestimuleerd en uitgebreid, zodat studenten een breder palet aan vaardigheden kunnen ontwikkelen. Dit mag niet ten koste gaan van diepgang van het aangeboden onderwijs.


provides a fully customizable online crm software and much more through the unique ability to create your own apps to work the way you want.